Onderweg:
- Kun je de duwhandvatten instellen? Stel deze op duwhoogte van je armen in. Hoe hoger, hoe comfortabeler je duwt omdat je dan rechter op loopt;
- Klap de voetsteunen terug en zet de voeten er op. De voeten mogen nooit de grond raken onder het rijden;
- Controleer of niets tussen de spaken kan komen, bijvoorbeeld kleding;
- Loop niet te snel, zeker met mensen die moeite hebben met het verwerken van veel indrukken;
- Kies routes met een zo glad mogelijke ondergrond. Vermijd grind- en zandpaden;
- Ga achteruit stoepjes en afstapjes af, zodat de bewoner niet uit de rolstoel kan vallen. Zet de rolstoel recht voor een drempel of stoeprand en druk met de voet op één van de steuntjes achter op de rolstoel. Laat de voorwielen rustig iets omhoog komen. Duw de achterwielen vooruit tot je de voorwielen over de drempel weer op de grond kan laten komen en rijdt over de drempel;
- Als je een stoepranden af gaat, draai je de rolstoel om en je zet hem recht voor de stoeprand. Stap zelf van de stoep en laat dan rustig de achterwielen van stoep zakken. En blijf naar achteren trekken tot de voorwielen op de grond komen.
- Draai dan de rolstoel weer in de rijrichting;
- Zet de rolstoel op de rem als je stil blijft staan;
- Voorkom sjorren aan de bewoner en/of rolstoel;
- Als een bewoner op wil staan vanuit de rolstoel, check dan of deze op de rem staat.